Watersysteembenadering
In de loop van de jaren zijn manieren ontwikkeld om inzichten over de relaties tussen het veranderend grondgebruik en het watersysteem een plaats te geven in het ruimtelijk beleid.
Bij de voorbereiding van het in de Vierde Nota Extra te vernieuwen beleid voor het landelijk gebied werd aangehaakt op de watersysteembenadering uit de Derde Nota Waterhuishouding (zie: Multiplex, 1990).
Een watersysteem werd opgevat als:
" Een samenhangend geheel van oppervlaktewater, waterbodem, oevers, infrastructuur, in samenhang met de voorkomende levensgemeenschappen en fysische en chemische kenmerken."
Om de volgende redenen werd aan het water een sleutelrol toegedacht:
- Belang als grondstof
- Bepalende en sturende rol voor natuur en recreatie
- De belangrijke samenhangen en functionele relaties via het water
- De zorgwekkende ontwikkelingen rond waterkwaliteit en kwantiteit (verdroging).
Het valt op dat de voorziene gevolgen van de klimaatverandering toen ook al als argument gebruikt werd voor een sterkere rol van het water.
Er waren dus goede redenen om op basis van hydrologische samenhangen gebiedsgericht beleid te ontwikkelen. De basiskaart systeemeenheden leverde daarvoor de eerste indeling. De fysisch geografische landschappen werden ingedeeld op basis van informatie over grondwatersystemen en afwateringseenheden. De belangrijkste infiltratiegebieden worden ook op deze kaart aangegeven Deze kaart vormde de onderlegger voor de toekenning van de verschillende ontwikkelingsrichtingen (koersen). In latere studies werd dit getypeerd als de ‘deelstroomgebiedsbenadering’ : ervoor zorgen dat per watersysteemeenheid verenigbare ontwikkelingen plaatsvinden
In de periode na de vaststelling van de Vierde Nota Extra is in diverse studies een nadere uitwerking gegeven aan de toepassing van de watersysteembenadering in de ruimtelijke ordening.
Daarna is deze benadering verbreed en verfijnd. Daarbij werkte het goed dat vuistregels werden geformuleerd voor de benadering van waterkwantiteit en waterkwaliteit.
Voor het kwantitatief waterbeheer is de grondregel: vertragen, dus: eerst vasthouden, daarna bergen en pas als het moet afvoeren. Dit betekent dat regenwater in de bodem en in het oppervlaktewater wordt vastgehouden. Raakt deze ruimte vol, dan wordt water naar tijdelijke bergingsgebieden geleid. Ten slotte wordt water afgevoerd. Door deze principes als vanaf het hoogste deel van een stroomgebied toe te passen ontstaat een veel geleidelijker afvoer, met minder pieken en dalen.



Bron principes: Waterbeleid voor de 21e eeuw, 2000.
Voor het kwalitatief waterbeheer is de volgorde: het voorkomen van verontreiniging, het scheiden van schone en vuile waterstromen en het zuiveren van de vuile waterstromen.



In combinatie met de toepassing van de hydrologische principes per regio (zie: Aandachtspunten per landschapstype) kan er zo voor gezorgd worden dat de waterkwaliteiten passen bij de verschillende vormen van ruimtegebruik. In het vigerende beleid zien we dat het accent ligt op een beschrijving van de belangrijkste wateropgaven en het soort maatregelen dat daarbij past. (zie: Ontwikkelingsbeelden).
